Flora en Fauna - de Baars

BAARS (Perca fluviatillis)

De baars komt bijna overal in Europa maar ook in het noorden van Azie en Noord-Amerika voor. Hij is een van onze fraaiste zoetywatervissen met zijn gestreepte huid en zijn stekelige rugvin. De grotere exemplaren (tot 50 cm.) zijn echte jagers. Op het menu staan vooral glasaaltjes en witvis. Jongere vissen doen zich tegoed doen aan kreeftachtigen en insectenlarven.
 
 
De kuit wordt dichtbij de oever in ondiep water in lange geleiachtige strengen afgezet en vastgehecht aan waterplanten, stenen of andere voorwerpern. Vervolgens wordt de kuit door 1 of meerdere mannetjes bevrucht. Deze kuitstrengen kunnen vaak een lengte van een meter hebben en zijn ca. 2 cm. breed. Het aantal eitjes is natuurlijk afhankelijk van de grootte van het wijfje; max. zijn het er 300.000. Omdat het broed niet wordt bewaakt, gaan er veel eitjes verloren maar toch komen er na ca. 8 a 16 dagen, al naar gelang de watertemparatuur, enkele duizende larven uit. De larven kunnen reeds zwemmen en vormen grote scholen, die zich aanvankelijk met dierlijk plankton voeden. Al spoedig daarna voeden ze zich met andere diertjes, want de jonge baarzen groeien snel. In de herfst zijn ze al 6 a 8 cm lang. Een jaar later 9 a 13 cm. Op z'n vroegst aan het eind van het tweede levensjaar, als ze een lengte van 14 a 16 cm. hebben bereikt, zijn ze geslachtsrijp.
 
 
BAARS (Perca fluviatillis)
Lengte: tot ongeveer 50 cm.
Paaitijd: april
Aantal eitjes: ongeveer 300.000
Komen uit na: 8 a 16 dagen
Verspreidingsgebied: alle zoete plassen en meren