HOUTING
HERKENNING: LAnge vlezige neus boven kleine onderstandige bek. 80-90 schubben op de zijlijn,er is een vetvin aanwezig.
VERSPREIDING: Zeer zeldzaam,kwam vroeger voor in de grote rivieren, maar is nu verdwenen uit de Nederlandse binnenwateren.
VOEDSEL: Dierlijk organisme,met voorkeur voor dierlijk plankton.
LENGTE TOT CIRCA: 50cm.
(DIKLIP) HARDER
HERKENNING: Er zijn 3 harder soorten; de diklip-, de dunlip- en de goudharder. De drie soorten vertonen een grote galijkenis.Er zijn 2 korte gescheiden rugvinnen,waarvan de voorste 4 stekels heeft.De brede bek is eindstandig.
VERSPREIDING: Harders,waarvan de diklip het meest algemeen is, komen vooral in de kustwateren voor,de minder algemene dunlip wordt ook wel sporadisch in het zoete water aangetroffen.
VOEDSEL: Hoofdzakelijk algen.
LENGTE TOT CIRCA: 70cm.
KOLBLEI
HERKENNING: wordt vaak verward met kleine exemplaren van de brasem.Aantal rijen schubben boven de zijlijn is 8-10.De oogdiameter is groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek.
VERSPREIDING: algemeen,komt in ieder watertype voor.
VOEDSEL: insectenlarve,kleine kreeftachtige,wormpjes en dierlijk plankton.
LENGTE TOT CIRCA: 35 cm.
KLEINE MODDERKRUIPER
HERKENNING: Er zijn 6 korte bekdraden,waarvan 4 op de bovenlip en 2 in de hoeken van de bek.Op de flanken ligt een rij grote donkerbruine vlekken.Ook de kop,de rug en de rug- en staartvin zijn gevlekt.Onder het oog bevindt zich een gevorkt stekeltje.
VERSPREIDING: Vrij zeldzaam,komt plaatselijk,soms talrijk, voor in uiteen- lopende watertype,maar heeft een voorkeur voor schone heldere wateren.
VOEDSEL: Voornamelijk kleine diertjes zoals insectenlarven en wormpjes.
LENGTE TOT CIRCA: 13cm.
KWABAAL
HERKENNING: Onder de bek bevindt zich 1 kindraad,en 2 rugvinnen waarvan de achterste(vinzoom) doorloopt tot aan de staartvin. De buikvinnen bevinden zich voor de borstvinnen.
VERSPREIDING: Zeldzaam,komt in kleine aantallen voor in name het Utrechtse plassengebied,Friesland en in de grote rivieren.
VOEDSEL: Kreeftachtige en vis.
LENGTE TOT CIRCA: 60cm.

SCHUB) KARPER
HERKENNING: In de Nederlandse wateren komen van de karper 4 verschillende beschubbingstype voor.Deze typen worden aangeduid als schubkarper,spiegelkarper,rijenkarper en naaktkarper.Er zijn 4 bekdraden aanwezig,waarvan 2 in de hoeken van de bek en 2 kortere op de bovenlip.De rand van de rugvin is hol ingesneden.De voorste vinstraal van de rugvin is stevig en getand.
DE RIJENKARPER is van de andere karpertypen te onderscheiden door het voorkomen van een enkele rij grote schubben op de zijlijn.
DE NAAKTKARPER is van andere karpertypen te onderscheiden doordat geen of slechts enkele schubben aanwezig zijn.
VERSPREIDING: algemeen,komt door uitzetting in veel wateren voor.
VOEDSEL: insectenlarven,kleine kreeftachtigen,weekdieren en wormpjes.
LENGTE TOT CIRCA: 120 cm.
KROESKARPER
HERKENNING: op de zijlijn liggen 33-36 schubben.De rugvin is bolrond.De 5e of de 6e vinstraal is het langst.De bekdraden ontbreken.
VERSPREIDING: is vrij zeldzaam,komt voor in stlstaand water met veel plantengroei en een zachte bodem.
VOEDSEL: insectenlarven,plantdelen,dierlijk plankton en slakjes.
LENGTE TOT CIRCA: 50 cm.
KOPVOORN
HERKENNING: Kan worden verward met de graskarper.Onder de zijlijn liggen 3-4 rijen schubben,het lichaam is cilindrisch, de kop tamelijk plat en breed.De anaalvin is bolrond.
VERSPREIDING: Vrij zeldzaam,wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas, komt ook elders in de grote rivieren en een aantal beken voor.
VOEDSEL: Insecten,insectenlarve,weekdieren,soms plantdelen en kleine vis.
LENGTE TOT CIRCA: 40cm.
KLEINE MARENE
HERKENNING: Er is een vetvin aanwezig, op de zijlijn liggen 82-84 schubben,de bek is bovenstandig.
VERSPREIDING: Uitheems,zeer zeldzaam, is in de 20ste eeuw enkele malen in ons land aangetroffen.
VOEDSEL: Voornamelijk dierlijk plankton.
LENGTE TOT CIRCA: 30cm.